Home » Uncategorized » Op weg naar Driekoningen (2) – de Wijzen in Vanden Levene ons Heren

Op weg naar Driekoningen (2) – de Wijzen in Vanden Levene ons Heren

Het tweede deel uit het drieluikje over de Wijzen in de oude Nederlandse literatuur zoomt in op het 13e eeuwse werk Vanden Levene ons Heren. Dit betreft een dichtwerk over het leven van Jezus; de auteur ervan is ons niet bekend, behalve dan dat we weten dat het een geestelijke betrof.

Hoe worden de Wijzen hier geïntroduceerd? Het verhaal (waarvoor we putten uit de tekst van Een groot schat in een klein vat, Spectrum van de Nederlandse Letterkunde, 1973) gaat als volgt:

Drie coninge woenden in orïent, (r.478-479)
Deen den anderen wel ghehent;

Drie koningen woonden in de Oriënt,
de een woonde niet ver van de anderen.

We zien dus ook hier het getal drie genoemd worden.
Waar de Heliand (zie de vorige bijdrage op dit blog) de titel ‘koningen’ echter vermeed, wordt die hier wel gebruikt.

Ook hun wijsheid wordt genoemd:

Ane sterren sie alle wijs, (r.480-481)
Als noeyt clerc binnen Parijs
.
Aangaande sterren waren zij allen zo wijs,
zoals nog nooit een Parijse clerc (geleerde, geestelijke) was geweest.

Parijs met zijn befaamde universiteit gold destijds als summum van wijsheid. Dat liet echter onverlet, volgens de schrijver van Vanden Levene ons Heren, dat de wijsheid van de Wijzen betreffende de sterren groter was.

Op een avond gebeurde er dit:

Eenwerf in ere avondstont (r.482-483)
Een clare sterre anden hemel stont
,
Die noeyt eer was ghesien.
Eens stond op een avond
een klare ster aan de hemel,
die nog nooit eerder was gezien.

Sie wonderden wat mochte gescien. (r.485-487(
Die sterre die daer so scone sceen,
Sie pensden wat die mochte meen
.
Zij vroegen zich verwonderd af wat zou geschieden.
De ster die daar zo schoon scheen,
ze overpeinsden wat die kon betekenen (meen – vgl. het Duitse ‘meinen’).

Sie lasen op ende nedere. (r.488)
Ze lazen heel wat af!

Echter, ze keerden onverrichterzake tot de ster terug:
Ter sterren si keerden wedere. (r.489)

Toen begreep, aldus dit gedicht, een van de wijzen wat er aan de hand was:

Een coninc vant ende las,
Wat dat scone boekiin was
.
Eén koning vond en las
wat dat schone teken was (betekende).

(NB Hier zien we, net als in de Heliand, het woord ‘boek’ (in de Heliand: ‘bôk’), dat ‘teken’ betekent. Boeiend dat het het vier eeuwen later nog steeds in de taal aanwezig was, en dat terwijl in onze tijd de betekenis van ‘teken’ bij ‘boek’ behoorlijk naar de achtergrond is verdwenen)

Naar zijn collega’s (ghesellen) gegaan zijnde, zei hij dit:

Hi seide: Ghesellen, weset blide: (r.494-497)
Die sterre die daer licht, claer ende wide,
Sie wijst ons tkint dat es geboren,
Dat quiten sal die sijn verloren.

Hij sprak: Gezellen, weest blij:
de ster die daar licht, klaar en weids
zij wijst ons het Kind dat is geboren
dat verlossen zal wie verloren zijn.

Vervolgens, zo vertelt de dichter, draalden de drie koningen geen ogenblik,
maar gingen ze op reis:

Sine letten niet, sie gingen wech, (r.502-505)
Die sterre wijsden haren wech.
Die sterre leidese al daer sie gaen;
Bij Bethleëm quamen sie saen.

Zij draalden niet, zij gingen weg
de ster wees hen de weg.
De ster leidde hen, overal waar zij gingen,
spoedig kwamen zij bij Bethlehem aan.

Het is boeiend op te merken dat de wijzen volgens de dichter bij Bethlehem arriveerden. Moeten we ‘bij’ ruim opvatten? Want in werkelijkheid arriveerden ze aanvankelijk in Jeruzalem. Maar aangezien Jeruzalem niet ver van Bethlehem vandaan ligt, moeten we dit zinnetje misschien lezen als ‘in de regio van Bethlehem’?
Of blikken we alvast vooruit, en wordt verteld hoe de drie koningen spoedig (toekomstig) in Bethlehem zullen arriveren?

Hoe dan ook, de scopus gaat nu naar Herodes (koning in Jeruzalem).
Hij wordt geïntroduceerd op een wijze die vrij duidelijk is:

Herodes was coninc in diere stont, (r.516-517)
Gierech ende wreet, fel als een hont
.
Herodes was koning in die tijd
gierig en wreed, fel als een hond.

Inderdaad stond koning Herodes bekend om zijn ongekende wreedheid.
Hij schroomde niet zijn naaste familie uit de weg te ruimen, wanneer hij zich bedreigd voelde.
Zijn ‘baas’, keizer Augustus, schijnt eens gezegd te hebben over Herodes:
‘Je kunt beter zijn varken zijn dan zijn familie.’
Die strekking wordt hier raak weergegeven door de dichter.
Boeiend is ook dat Herodes ‘gierig’ wordt genoemd. Een eigenschap die wellicht dus het meest op zijn macht betrekking had: die wilde hij absoluut niet verliezen.
Op het bericht van de drie koningen (nl. dat er een koning was geboren) ontstelde hij zeer (vgl. de vertelling uit Matteüs 2):

Hi wert in vruchte ende in vare (r.519)
(een dubbele omschrijving van zijn hevige schrik, vgl. bij ‘vruchte’ het Duitse ‘Furcht’, vrees).

Hoewel hij zo ‘fel was als een hond’ ontbood Herodes de wijzen poeslief, en vroeg hen te vertellen waar deze geboren koning was, zodat ook hij dit kind kon eren.
Wat de wijzen echter antwoordden was olie op het vuur van zijn vrees:

Sie antwerden: Here, ne belgt u niet, (r532-535)
Hets gheboren, het es ghesciet;
Tkint sal noch hebben in sine hant
Al dese wereld ende u lant.
Zij antwoordden: Heer, wordt toch niet verbolgen,
het ís geboren, het ís geschied.
Het kind zal in zijn handen hebben:
heel deze wereld en al/heel úw land.

Dat was natuurlijk tegen het zere been:

Als Herodes vernam dese tale, (r.536-537)
Hem was wee, hi geliet hem wale.

Toen Herodes deze vertelling vernam
deed dit hem ‘wee’, maar hij hield zich goed (wale – wel).

Vervolgens wordt verteld hoe Herodes de drie koningen vraagt naar het koningskind toe te gaan en hem daar ook de weg heen te wijzen.
Opvallend is dat bij het bepalen van de plaats Bethlehem (waar we zojuist ook al even over spraken) de overpriesters, schriftgeleerden en de Tenach (het Oude Testament) hier helemaal buiten beeld blijven. Want zo vertelt de Bijbel het: de Jeruzalemse geleerden stelden aan de hand van Micha 5:1 dat men het Kind in Bethlehem moest zoeken.
Maar hier, in het gedicht, is hetpuur de ster die hen de weg wijst.
Wel is het zo dat die ene wijze al ‘in het oosten’ gelezen had dat de ster betekende dat de Verlosser geboren was. Waar haalde hij die wijsheid vandaan, zo kan men zich afvragen. Die wijsheid werd immers gevonden in de Schriften in Jeruzalem, volgens de evangelist Matteüs?
Of moeten we bij die ene koning denken aan een van de theorieën bij de identiteit van ‘de Wijzen’, namelijk dat het bij hen zou kunnen gaan om achtergebleven Joodse ballingen uit de Babylonische regio, die aldaar wellicht ook beschikten over de heilige Schrift?
Hoe dan ook, de drie koningen gehoorzaamden Herodes (van wiens goede trouw zij overtuigd waren, aldus de dichter), en gingen op weg:

Si namen orlof, si gingen saen, (r.560-561)
Si sagen die sterre voer hen staen
;
Zij namen afscheid, zij gingen terstond,
zij zagen de ster voor hen staan.

Het verhaal vervolgt:

Sie droeghen offerande, si waren bout, (r.563-564)
Mirre, wieroec ende gout
.
Zij droegen offerande, – zij waren gerust –
mirre, wierook en goud.

Het is opvallend dat de offeranden pas nu genoemd worden.
Eerder (toen ze vanuit het Oosten op reis gingen) werd gezegd:

Sie namen scat ende staf (r. 500)
Zij namen schatting en staf

Voor ‘scat’ lijkt ‘schatting’ de beste vertaling, die betekenis had het woord ‘skattr’ reeds in het Oudnoors. Dan is de gedachte dat men als koningen schatting meeneemt naar de nieuw geboren Koning, aan wie men zich onderhorig verklaart en aan Wie men bereid is schatting af te dragen, een in de Middeleeuwen zeer toepasselijk beeld.
Ook dit was trouwens al een pijnlijk gegeven voor Herodes: die schatting wordt niet aan hem gegeven, maar aan het geboren Kind.

Nu wordt dus duidelijk waaruit die schatting bestaat: uit wierook, mirre en goud. Deze gaven worden elk toegelicht door de dichter:

Dat gout betekent gheweldicheit (r.584-586)
Ende dat wieroec sijn godlijcheit,
Die myrre meende sijn menschelijchede
.
Het goud betekent’ geweldigheid’ (in de zin van: de macht hebben, zie voor de betekenis van ‘geweldig’ ook mijn artikel: Gewelddadige goden, een geweldige God)
En de wierook: zijn goddelijkheid (wierook werd in de tempel gebrand als teken van Gods aanwezigheid)
De myrre betekende zijn menselijkheid.

Het is opvallend dat over goud en wierook in de tegenwoordige tijd wordt gesproken, terwijl de myrre in de verleden ter sprake wordt gebracht.
Hier zit waarschijnlijk de opvatting achter dat Christus zijn menselijk lijden heeft volbracht, en nu weer geheel vanuit zijn goddelijkheid gezien moet worden (goud en wierook).
Een dergelijk onderscheid tussen goud en wierook enerzijds (als van hogere, goddelijke orde) en myrre anderzijds (als van lagere menselijke orde) zagen we ook in de Heliand.

Ook hier wordt dus over het Kind gesproken als vóór alles een machtige Koning. Zó eren de drie koningen Hem:

Si vonden enen saleghen vont: (r.575-579)
Mariën ende haer lieve kint,
Dat si ghesocht hadden ende gemint.
Elc ontploec doen siin vat
ende offerden daer enen scat
.
Zij vonden een zalige vondst:
Maria en haar lieve kind,
dat zij gezocht hadden, en gemind.
Elk opende toen zijn vat
en offerde daar een schatting.

Overigens waren de drie koningen bij het Kind gekomen, dankzij de ster, die dermate helder was, dat hij dag en nacht de weg verlichtte. Dat zagen we reeds in de Heliand, dat de ster zo helder was dat hij zelfs de dág verlichtte!

Sie daden dachvaert alle drie sachte, (r. 564-569)
Elc die clare sterre wachte.
Daer si alle drie bleven vernacht,
Die sterre stont al dien nacht.
Waest vroech, waest spade, waest middach,
Elc die sterre claer scinen sach
.
Zij reisden rustig (dachvaert – dagreis)
Elk hield de klare ster in het oog.
En waar zij overnachtten,
daar stond de ster, heel de nacht.
Was het vroeg, was het laat, was het middag,
elk zag de ster helder schijnen.

Zo ging de ster hen voor, tot bij het huis:

Si quamen, die sterre ginc voert, (r.570-574)
Tote Bethleëm, in die poert.
Alse die sterre daer quam, si stont al stille,
Sie wisten wat sie meynen wille;
Sie ghingen int huus daer die sterre op stont
.
Zij kwamen, de ster ging voort,
tot Bethlehem, in de poort.
Toen de ster daar kwam, stond zij geheel en al stil,
zij wisten wat dat te betekenen had.
Zij gingen het huis binnen, waar de ster boven stond.

In deze vertelling wordt dus sterk de nadruk gelegd op Gods voorzienigheid, die de drie koningen leidt tot waar ze zijn moeten.
Het heeft wel iets van de wolkkolom, die het volk Israël dag en nacht in de woestijn nabij was en voorging.

Ook voor hun weg terug geldt dat. Aanvankelijk waren de koningen overtuigd van Herodes’ goede bedoelingen, en wilden zij eerst naar hem terugkeren.
Toen waarschuwde de engel hen echter om via een andere weg naar hun eigen land terug te gaan, hetgeen ze ook deden:

Sie seiden alle drie (tegen de engel, red.): U wil ghesciet (r.614-617)
Wy ne weten smans gedachte niet.
Sie keerden al een andren woch,
Herodesse ne spraken si niet noch.

Zij zeiden alle drie: uw wil geschiede,
wij weten ‘s mans gedachte immers niet.
Zij keerden via een andere weg terug,
Herodes spraken zij niet meer.

Vervolgens sluit de vertelling af met:

Lovet gode die soe wel versiet (r.618-619)
Alle dinc, eer sie ghesciet.

Looft Gode, die zo goed voorziet
in alle dingen, voordat zij geschieden.

Zeker deze laatste regels lijken een belangrijke les die de dichter van Vanden Levene ons Heren zijn lezers wil meegeven: uiteindelijk trekt niet een koning als Herodes aan de touwtjes, maar snijdt God met zijn voorzienigheid hem de pas af, en zal zijn Koning regeren.
Net als in de Heliand het geval was, getuigen de koningen ook hier van Christus’ macht tegenover koning Herodes.

Op het Koningschap van Christus in de tegenwoordige tijd hintte ook de uitdrukking ”goud en wierook”, en de schatting die de drie koningen afdroegen.
Daar klonk dus ook zeker iets in door van Jesaja 60:3, waar we lezen dat koningen hun schatting in Israël, als Gods rijksgebied, zullen afdragen.
Ook de uitdrukking dat heel Herodes’ land onder het gezag van dit Koningskind komt, wijst in die profetische richting.
Tegelijk is het echter wel opvallend dat de Schriften nagenoeg geen rol spelen in deze vertelling, al heeft wel het ‘boek in het oosten’ (waarin we mogelijk toch de profetie van Micha 5:1 mogen herkennen?) de drie koningen op het spoor van het Koningskind gezet.

Bij dit alles is de dichter vol vertrouwen dat Gods voorzienigheid uiteindelijk alles (zelfs nog voordat het is geschied) in goede banen zal weten te leiden.