Home » Uncategorized » Bijbelbabbel – de sprinkhaan

Bijbelbabbel – de sprinkhaan

De sprinkhaan – niet alleen in de Bijbel, maar nog steeds: een gevreesd diertje.
Als je er eentje ziet zou je denken: daar valt toch niets van te duchten?
Maar o wee, wanneer er een complete wolk van deze diertjes neerdaalt op een akker in het Midden-Oosten. In een oogwenk is de hele boel, waar een boer een seizoen lang hard voor heeft gewerkt, kaalgevreten.

De sprinkhaan – zijn naam luidt in het Hebreeuws: ארבה, oftewel ”arbeh”.
Ik heb de medeklinkers r-b-h vetgedrukt.

Want wat betekent het woordje r-b-h?
In de eerste plaats: ”veel worden”. De sprinkhaan komt immers vaak met zeer velen tegelijk.
Maar het woordje r-b-h bekenent nog meer: ook is er de betekenis: ”verwoesten”.
Zodat dit diertje heet: ”de verwoester”.

En daarmee zijn we bij een bijzondere gedachte:
het diertje dat met ”velen” komt is een ”verwoester”.
Het Hebreeuws legt een verband tussen ”veel” en ”verwoesten”.
Dat herkennen wij wel.
Alles met mate – zeggen we.
Te ”veel” is niet goed: teveel suiker, teveel vet, teveel alcohol, om een paar voorbeelden te noemen.

Toch kan het woordje ”veel” ook positief geduid worden.
De allereerste keer dat het in de Bijbel wordt gebruikt, heeft het zelfs een zeer positieve klank:

”oe-rboeh” – zegt God tegen de zojuist geschapen mens:

”Vermenigvuldig u – word veel!” (Genesis 1:28).

De tekst gaat hier zelfs nog verder. Want God koppelt het woordje voor ”vermenigvuldigen/veel worden” niet aan ”verwoesten”, maar aan ”vruchtbaar zijn”:

”Wees vruchtbaar en vermenigvuldig u”.

Daar is méér mee bedoeld dan vruchtbaarheid die tot geboorte leidt.
Daar wordt vooral mee gezegd dat ”veel worden” alles te maken heeft met ”vruchtbaar zijn”.

Het zijn woorden die je in onze tijd nauwelijks meer durft te propageren – levend op een aarde die al te vol lijkt van de mens.
Wij mensen zijn met zeer ”velen”.
En het resultaat is inmiddels behoorlijk ”verwoestend”.
Denk maar aan hoe het er aan toe gaat in de regenwouden van Brazilië of in de wereldzeeën met al óns vele plastic.

En tóch ben ik er van overtuigd, dat Genesis juist nú ons iets te zeggen heeft.

Want dat gebod om als mens ”veel” te worden, kent een richting.
De tekst gaat verder:

”En vul de aarde” (Genesis 1:28).

Het woordje voor ”vol worden” valt.
Wij mensen kunnen/moeten de aarde ”vol maken”.
Om dat goed te begrijpen moet je terugdenken aan het begin van Genesis:

”De aarde was woest en leeg” (Genesis 1:2)

Dat ”leeg” (het tegenovergestelde van ”vol” en ”veel”) slaat niet zozeer op het ontbreken van mensen, dieren enz. (zoals een kamer leeg kan zijn), maar bedoelt vooral: er was nergens zin te vinden.
De situatie was donker, hopeloos, zinloos. Woest en leeg.

In díe situatie schept God de mens.
En Hij zegt: wordt met velen – en als jullie nu állemaal, met ál die ”velen” eens iets goeds doen voor een ander (en daar zijn situaties genoeg voor te bedenken) – moet je eens opletten hoe vól (van zin en het goede) de aarde dan wordt!

Dan ben je met ”velen” niet langer: ”verwoestend”.
Dan brengen ”velen”: ”vruchtbaarheid” en ”volheid”!

Vreet elkaar niet kaal maar maakt het leven van de ander weer vol.

Genoeg huiswerk – deze levensopdracht!